Joke Frima(1952)
‘Ik schilder onderwerpen die men vaak niet waardevol vindt,
vannuit mijn ervaring, dat eenvoudige dingen mooi kunnen zijn’.
In het werk van Joke Frima staan twee thema's centraal:
planten en stillevens.
Oost-lndische kers, groothoefblad, pompoenen, maïs of kruipende klimop zijn enkele van haar onderwerpen.
Stillevens ontstaan ter afwisseling van het schilderen van de planten.
Wanneer Frima planten schildert, beeldt ze ook vaak bloemen of vruchten af, maar bij nader inzien ligt de nadruk daar niet op.
Wie haar werk bekijkt, merkt dat het oog steeds weer van de kleurige bloemen en vruchten naar het groene blad wordt getrokken.
In ‘Pompoenplant verscholen onder de heg’, 1996 zien we twee grote pompoenen in de schaduw van een heg liggen op een bed van bodembedekkers. Hoewel onze blik als eerste naar de helder oranje pompoenen wordt getrokken, dwaalt het oog daarna steeds langs
de sierlijk kronkelende stengels naar de grote bladeren die het licht zoeken.
Door het blad dat licht vangt, kunnen de vruchten groeien, De plant en niet de vrucht is het centrale element in de voorstelling .
Het groen van de natuur vult het hele vlak.
Het standpunt is laag gekozen, waardoor het lijkt alsof we tussen de planten liggen of staan
en alle oneffenheden van dichtbij kunnen zien.
Door het lage standpunt ontstaat een sterke dieptewerking, hoewel het oog niet ver kan reiken.
De illusie dat we midden in het veld staan, krijgen we ook bij het zien van 'Maïsveld', 1995.
Het schilderij legt met de nadruk op waar het bij de teelt om gaat, het kweken van maïskolven, maar laat juist stengels en blad zien.
Terwijl alle energie naar de vruchten gaat, vechten de stengels en bladeren om voedsel, licht en lucht.
Bladeren zijn geknakt, gescheurd, bruin gekleurd en van de stengel gevallen.
We zijn geneigd alleen naar het maïs te kijken of het voldoende groeit, terwijl de kunstenares aandacht vraagt voor datgene
dat we geneigd zijn over het hoofd te zien.
Frima's oog valt buiten in het veld op gewone planten, niets bijzonders en daarom juist de moeite waard.
Meestal heeft zij een idee in haar hoofd en zoekt er het onderwerp bij, De keuze bepaalt ze aan de hand van het patroon van
het blad, de abstracte werking die ervan uit gaat, in hoeverre het patroon zich herhaalt, een ritme ontstaat en gevoel van evenwicht.
Als het nodig is, zet zij de compositie naar haar hand, Vaak kiest ze een laag standpunt.
Kan het werk niet ter plekke gemaakt worden, dan werkt ze met studies en foto's die ze later in haar atelier uitwerkt.
'In het koele licht van de lente', 1996 verbeeldt een veld vol groot hoefblad met uitgebloeide bloemen.
Een hoge horizon geeft ruimtelijkheid aan het werk,
De voorstelling Is een spel van groenen, afgewisseld met de bruine bloemen die vertikaal het vlak breken en levendigheid verschaffen.
Met een doodgewoon beeld uit de natuur weet Frima ons te boeien door het abstracte spel van licht en kleur.
In het schilderij' De lotusvijver'. 1998 hanteert de kunstenares dezelfde uitgangspunten.
Nu zijn de planten niet van dichtbij bekeken, maar van een afstand. Bij een lotusvijver stellen we ons voor vooral de prachtige
lotusbloemen te zien. Maar Frima heeft die niet geschilderd - Het blad, gerimpeld en met bruin omkrulde randen,
alle kanten uitgroeiend, is het onderwerp van de voorstelling.
De plant heeft grote bladeren, die als het ware worstelen om boven water te blijven.
Doordat we gewend zijn de grote statige lotusbloemen te bewonderen, zien we de chaos erom heen makkelijk over het hoofd.
De weerspiegeling In het water van de lucht en de bladeren schept grote diepte in de voorstelling, zowel naar boven en beneden
als naar achteren.
Ritme, rust, evenwicht en aandacht voor het alledaagse is wat uit deze plant - stillevens spreekt.
Eenzelfde uitstraling kenmerkt de stillevens van objecten, die veelal een plek hebben in Frima's atelier of naar binnen zijn gehaald -
Pompoenen in de herfst met onregelmatige ronde, oranje vormen vinden een plek op een schilderskruk of aan touwtjes voor een
roestige plaat, In De “drie gratiën”. 2000 hangen drie pompoenen ieder aan een touwtje voor een ijzeren plaat, die op zijn beurt
ook aan touwtjes is opgehangen.
De roodbruine kleur van de middelste pompoen vinden we terug in de roestkleur op het ijzeren vlak. De gele kleur van de vruchten
links en rechts verbindt deze met elkaar, waardoor het drietal een eenheid vormt en niet als een rijtje naast elkaar hangt.
De vruchten zijn klein en misvormd, het paktouw is rafelig, de ijzeren plaat afgebladderd en roestig. Een strak in de verf zittende
donkerrode buis, waar de touwtjes aan vastgemaakt zijn, doorkruist het beeld en vormt een tegenhanger tegenover de objecten
in verval,
De voorwerpen die Frima in haar atelier schildert, zijn niet mooi, niet waardevol, maar wel interessant,
Ze hebben een verleden, zijn doorleefd. Vanuit de ervaring dat eenvoudige dingen mooi kunnen zijn, worden ze uitgekozen.
De schildersezel, uitgeknepen tubes verf, een groentekistje of een gebruikte kwast, het is allemaal de moeite waard.
Frima schildert haar doeken nat in nat met olieverf zonder glaceringen . Ze begint met een eenvoudige opzet en vervolgens
schildert ze een schematische ondergrond. De laatste lagen worden met het penseel opgebracht.
Ze voelt zich vrij tijdens het schilderen. Het liefst maakt ze geen tekeningen van wat ze wil gaan schilderen, want dat neemt
de spontaniteit weg: het is al een keer verbeeld, een tweede keer is minder boeiend.
Ook ontleent ze haar ideeën aan wat ze In een eerder schilderij heeft moeten weglaten,
Ze zoekt naar gevarieerdheid en tegenstellingen. Is de ene keer haar onderwerp binnen gevonden,
de volgende keer zoekt ze iets buiten.
Niet alles wat ze aan ideeën heeft, kan ze schilderen. Er zijn er zoveel, dat het onmogelijk is ze allemaal uit te werken;
'en dat is eigenlijk jammer'.
door de auteur Heleeen Buijs d.d. 16januari 2001